HS 494: de Lutherbijbel
12 August 2008
‘Het behoorde tot mijn taak aan belangstellende bezoekers, meest buitenlanders, het exemplaar van het Nieuwe Testament van Erasmus te tonen, dat Luther als handexemplaar gebruikt had. Dat bleek uit de drastische opmerkingen die hij met stijgende verontwaardiging in de marges gekrabbeld had, culminerend in de uitbarsting: “Du bist ein Bube!”. Blijkens de inktvlek op de tegenoverliggende bladzijde had de driftkop daarna het boek met kracht dichtgeslagen.’
Dit schreef Herman de la Fontaine Verwey (in de bundel De verdwenen antiquaar, 1993: p. 32) die, toen hij in 1940 werd benoemd tot bibliothecaris van de UB Amsterdam, conservator van de UB van Groningen was. In zijn talrijke publicaties verwerkte hij vele anecdotes uit zijn Groningse tijd, zoals die over de zogenaamde Lutherbijbel.
De Lutherbijbel, een fors boek in een blindgestempelde band, wordt zo genoemd omdat hij ooit eigendom was van Maarten Luther (1483-1546), die er inderdaad heel actief in heeft gelezen, zelfs met de pen in de aanslag om aantekeningen in het Latijn, Grieks en Duits te maken. Daarin gaat hij vaak in discussie met Erasmus, scheldt hem uit en geeft hem soms gelijk. Bladeren in dit boek is daarom voor velen een ‘historische sensatie’.
Eigenlijk is de Lutherbijbel een Erasmusbijbel, want het gaat om een uitgave van de bijbelvertaling door Erasmus. Deze bevat het Nieuwe Testament in het Grieks, de Latijnse vertaling van Erasmus en de Vulgaat (de Latijnse vertaling van Hiëronymus), gevolgd door Annotationes van Erasmus. De eerste editie van Erasmus’ Griekse editie werd in 1516 door Johann Froben te Bazel uitgegeven, toen nog onder de titel Novum Instrumentum. Het was de eerste Griekse bijbeluitgave ooit, waarvan in 1519, 1522 en 1524 volgende versies uitkwamen. De tweede uitgave is door Luther gebruikt als bron voor zijn eigen bijbelvertaling in het Duits.
De Lutherbijbel is een exemplaar van de vierde druk, uit 1527. De geschiedenis van het boek is grotendeels te volgen aan de hand van aantekeningen van de verschillende eigenaars. Luthers zoons schonken het in 1550 aan hun studiegenoot in Wittenberg, Unico Manninga. Deze Oost-Friese edelman, die een belangrijke rol heeft gespeeld in de reformatorische beweging in zijn geboortestreek, gaf het boek door aan Christophorus van Ewsum (1523-1583). Deze schonk het in 1555 aan Regnerus Praedinus (1505-1559), de rector van de St. Maartensschool te Groningen, die op zijn beurt talrijke uitvoerige aantekeningen in het boek maakte, allemaal in rode inkt. Na Praedinius’ dood is het boek meer dan een eeuw uit het zicht, totdat het in 1666 in bezit blijkt te zijn van Salomon van Til (1643-1713), predikant in Huisduinen bij Den Helder en later hoogleraar in Leiden. Na zijn dood ging het naar de uit Groningen afkomstige Leidse predikant Albertus Alberthoma, die het boek op 10 augustus 1724 aan de Groningse Universiteitsbibliotheek ten geschenke gaf.
Vanwege de vele aantekeningen hoort het boek tot de ‘libri annotati’ en is daarom onder de handschriften opgenomen. Een van de bekendste staat op het dekblad voorin: ‘Pestis ero vive(n)s moriens ero mors tua papa’ (Tijdens mijn leven zal ik je een pest zijn, stervend zal ik je dood zijn, paus). Deze tekst, ontleend aan Hosea 13,14, door Luther vanaf 1521 regelmatig gebruikt, is waarschijnlijk niet door hemzelf in deze bijbel geschreven. Het citaat komt op verscheidene plaatsen voor, ook als inscripties. Zo zag mr. W.R.H. Koops, oud-bibliothecaris van de RuG, het in de kerk van Crivitz (Mecklenburg-Vorpommern), waar het als onderschrift dient van een portret van Luther.
In het in 1983 bij een tentoonstelling verschenen boekje De Groningse Luther-Bijbel is een uitvoerige beschrijving van het boek opgenomen. Luthers aantekeningen zijn opgenomen in de uitgave van zijn werken (Weimarer Ausgabe, Bd. 60, 1980), zodat het boek voor onderzoeksdoeleinden voorlopig nauwelijks bestudeerd wordt.
Het gebeurt nog steeds wel eens dat een, meestal buitenlandse, bezoeker vraagt om het in te zien. Het aardigst ingeklede verzoek dat ik daarvoor kreeg kwam van een Engelsman die onaangekondigd de UB bezocht en vertelde dat hij dominee was in Crediton, de geboorteplaats van Bonifatius, en dat hij nu vakantie hield in Dokkum. Natuurlijk heeft hij de Lutherbijbel ter inzage gekregen.