RSS

HS 405: het Maerlanthandschrift

405-voorplat.jpgHET GRONINGS-ZUTPHENSE MAERLANTHANDSCHRIFT

perkament – 235 bladen – 315×210 mm

Brabant: ‘s-Hertogenbosch of Mariënweerd? – voor 1339-ca. 1345

uklu HS 405

Dit handschrift bevat een aantal gedichten, deels bewerkingen van Latijnse teksten, van de Vlaamse dichter Jacob van Maerlant. Het langste stuk is de Rijmbijbel; verder zijn opgenomen een deel van de Spiegel historiael en de meeste van Maerlants ‘strofische gedichten’, zoals de Drie Martijns en Van den lande van overzee. Enkele van deze gedichten zijn alleen bekend gebleven omdat ze in dit boek zijn opgenomen. Het handschrift is gedecoreerd met rijk versierde initialen, enkele miniaturen en een randversiering.

405-15r.jpgMaerlant voltooide zijn Rijmbijbel in 1271. Het eerste deel van dit werk, de eigenlijke Rijmbijbel, is een bewerking van de Historia Scholastica, een bijbelse geschiedenis geschreven in de twaalfde eeuw door Petrus Comestor, in de late middeleeuwen als leerboek op scholen gebruikt. Het tweede deel, Die Wrake van Jherusalem, waarin de geschiedenis van het Joodse volk tot aan de val van Jeruzalem in 70 na Chr. wordt verteld, heeft als bron De Bello Judaico van Flavius Josephus (1e eeuw na Chr.). Bijna een eeuw lang was de Rijmbijbel het enige boek waarin mensen die geen Latijn kenden de geschiedenis van het Oude Testament in het Nederlands konden lezen. Pas in 1360-1361 werden de historische boeken van het Oude Testament in het Nederlands vertaald, waarschijnlijk door een kartuizer monnik uit Herne, niet ver van Brussel. Dezelfde vertaler maakte later ook Nederlandse versies van de overige bijbelboeken.

405-163r.jpgWaarschijnlijk is de productie van het handschrift voor of in 1339 is begonnen, omdat de in het kalendergedeelte opgenomen paastafel, die de periode 1339-1377 beslaat, met dat jaar begint. Over de plaats van ontstaan bestaat onzekerheid. Aanvankelijk werd aangenomen dat het boek was vervaardigd in de Premonstratenzer abdij Mariënweerd te Beesd aan de Linge. G.I. Lieftinck kwam in 1959 tot de conclusie dat het is gemaakt door een lekenatelier in Den Bosch, waarschijnlijk in opdracht van de abt van Mariënweerd. De abt zou het boek aan Reinoud II, die in 1339 hertog van Gelre was geworden, hebben willen aanbieden bij diens officiële bezoek aan de abdij. Er ontstonden echter moeilijkheden tussen abt en hertog, het bezoek vond geen doorgang en het boek werd nooit aan Reinoud II geschonken. De meest recente theorie, geformuleerd door J.A.A.M. Biemans, is dat het boek in gedeelten, gedurende een periode van minstens tien jaren, is vervaardigd en dat het onmogelijk is vast te stellen of dat in een klooster of in een atelier elders is gebeurd.

 

Het handschrift is in de veertiende eeuw in bezit geweest van de familie Van Zuylichem, zoals blijkt uit later bijgeschreven aantekeningen in de kalender, waarin het overlijden van leden van deze familie wordt vermeld. In de negentiende eeuw was het in bezit van de dichter A.W.C. Staring te Zutphen, na wiens dood het terecht kwam bij B.H. Lulofs, hoogleraar aan de universiteit van Groningen, die het in 1849 aan de Universiteitsbibliotheek naliet. Sindsdien staat het boek bekend als het Zutphens-Groningse of Gronings-Zutphense Maerlanthandschrift.