RSS

kiers.jpgIn het Universiteitsmuseum hier ter stede blijkt een portretminiatuur te worden bewaard waarop de jonge Willem V staat afgebeeld die door Adecco Willem (de) Kiers wordt onderwezen in de vestingbouwkunde. Volgens mededeling van Egge Knol van het Groninger Museum is deze miniatuur, die is geschilderd op been, in 1939 aan het Museum geschonken door mevrouw H.G. Fercken-Poll te IJmuiden, samen met het album amicorum van Adecco’s oudere broer Klaas Willem, ook een ingenieur (brieven Groninger Museum 1939-48 en 71). Wanneer precies beide stukken aan het UB resp. de UB zijn overgedragen is - nog - niet bekend.

De taartenbakker van Madrigal: HS Add. 37

ub-hs-add-37-ar-wab.jpgIn de verzameling handschriften Addenda — zo genoemd omdat ze verworven zijn na publicatie, in 1898, van de door H. Brugmans samengestelde handschriftencatalogus — bevindt zich een boek met een wat verkreukeld perkamenten omslag. De op de rug geschreven titel is niet zo duidelijk meer, maar het moeten ongeveer dezelfde woorden zijn als die op de banderolle vastgehouden door een engel afgebeeld op het eerste schutblad: El Pastelero di Madrigal, de taartenbakker van Madrigal.

Lezers die zich nu verheugen op een verhaal over muziek en/of zoetigheden zullen teleurgesteld worden, want daar heeft dit boek niets mee van doen: dit handschrift, nr. 37, bevat de geschiedenis van een zestiende-eeuwse pretendent op de Portugese troon.

In 1578, in de slag bij Alcazarquivir tussen Portugese en Marokkaanse troepen, was Sebastiaan I van Portugal gesneuveld. Omdat het lichaam van de jonge koning niet meteen vanuit Noord-Marokko naar zijn vaderland kon worden overgebracht, ontstonden er allerlei geruchten dat hij niet dood was maar de strijd had overleefd en op een dag als een held zou terugkeren. Die hoop op een soort messias werd alleen maar groter nadat in 1580 Portugal onder Spaans bewind was gekomen, toen Filips II de troon in bezit nam.  In de volgende decennia doken er diverse valse Sebastiaans op, zoals een zekere Gabriel de Espinosa, die in 1594 in Valladolid verscheen en zich voordeed als de doodgewaande koning. Hij leek verwikkeld te zijn in een samenzwering waar onder meer de prior van het klooster in Madrigal de las Altas Terras en een van de nonnen, een buitenechtelijke dochter van een halfbroer van koning Filips II, deel van uitmaakten. Na een lang en ingewikkeld onderzoek, dat veel vragen onbeantwoord liet, werd Espinosa in 1595 ter dood gebracht. Er bestaan een uitgebreide literatuur over de Madrigal samenzwering. Een heldere uiteenzetting in het Engels is te vinden in, bijvoorbeeld, Mary E. Brooks, A King for Portugal (1964).

Meteen in 1595 verscheen er al een Historia de Gabriel de Espinosa. Van deze uitgave lijkt geen exemplaar bewaard gebleven te zijn, althans niet in openbaar bezit. De tekst is opnieuw gedrukt in 1683, in Jerez, en nog eens in 1785, in Madrid.

ub-ep-o-be-55-1.jpgub-ep-o-be-55-55.jpgHet handschrift Add. 37 bevindt zich sinds 1924 in de bibliotheek. Het maakt deel uit van de schenking van Fonger de Haan (1859-1930), hoogleraar Spaans aan Boston University, die tevergeefs had geprobeerd steun te werven  voor de oprichting van een studie hispanistiek in Groningen.

In diezelfde verzameling bevindt zich ook een gedrukt boekje, zonder titelpagina, waaraan in de catalogus als jaar van uitgave 1785 is toegekend, maar het lijkt me toch een exemplaar van de editie van 1683 te zijn. Dat is niet alleen omdat het aantal bladzijden niet overeenkomt met andere beschrijvingen van de 1785 editie, maar vooral omdat het vrijwel identiek is met de uitgave van 1683 die in Google books is opgenomen, en in een betere versie beschikbaar is op de site  van de BNE. Vrijwel, want bij precies kijken valt op dat de laatste pagina in die gedigitaliseerde exemplaren van een ander zetsel is en een colofon bevat: ‘Ex Xerèz: Por Juan Antonio de Tarazona, Año de 1683.’, dat in het Groningse boek ontbreekt. Letten  we op de plaatsing van de katernsignaturen (de vingerafdruk, in het bibliografische jargon), dan blijken ook die te verschillen. De catalogus van Princeton zegt: There are two eds. of 1683, of [58] p., signatures A-G⁴, and 96 p., signatures A-M⁴. Het UB-exemplaar, met signaturen A-G⁴ — maar met 56 blz., wat overeenkomt met zeven katernen van elk acht blz. — zou dus op zijn beurt een variant van de eerste editie te zijn. (De drukgeschiedenis is blijkbaar gecompliceerd, want de Catálogo BNE vermeldt ook minstens twee versies van de uitgave met 96 pp.)

ub-hs-add-37-iii-wab.jpgOp p. 3 van HS Add 37 staat het jaar 1683 vermeld, maar of dat verwijst naar de gedrukte Historia? Mogelijk kan een lezer van Wereldaanboeken hier helderheid verschaffen.  Een vluchtige vergelijking leert dat de tekst verschilt van die in de gedrukte versie. Mogelijk een aardig onderwerp voor een scriptie, om eens uit te zoeken hoe de verhouding tussen beide precies ligt?

Adriaan Gilles Camper op Giglio in 1788

adriaan-gilles-camper.jpgOver het eiland Giglio had ik een aantal jaren geleden al wel iets gelezen, maar toen het tien dagen geleden in het nieuws kwam, bleek het toch in een verre vergeethoek geraakt. Gelukkig wist IJnte Botke nog heel goed dat in 1788 Adriaan Gilles Camper Giglio heeft bezocht — natuurlijk niet met een cruiseschip, maar met een simpele zeilboot — op zijn speurtocht naar geologische specimina (zie daarover zijn zeer lezenswaardige bijdrage ‘”Je recueille toujours de pierres”. Adriaan Gilles Camper in Italië, 1787-1788′ in Ziedaar Italië! Vijf eeuwen Friezen en Groningers in Italië. Franeker 1998.

In de jaren 1786-1788 trok Adriaan Gilles Camper (1759-1820) door Frankrijk en Italië om geleerden en beroemdheden te ontmoeten en bezienswaardigheden en collecties van kunst en naturalia te bezichtigen. Zijn voornaamste opdracht was het verzamelen van mineralen, gesteente en fossielen. Die waren bestemd voor het natuurkundig kabinet van zijn vader, de veelzijdige geleerde en tekenaar/schilder Petrus Camper (1722-1789), die in 1763 aan de Universiteit te Groningen benoemd was tot hoogleraar in de ‘genees-, heel-, ontleed- en kruidkunde’, maar tien jaar later vertrok naar Franeker. Het ‘Museum Camperianum’ is in 1822 aan de Groningse Universiteit geschonken; een deel is verloren gegaan bij de brand van het Academiegebouw in 1906, wat bewaard bleef bevindt zich nu in het Universiteitsmuseum.

camper-totaal.jpgAdriaan had reiservaring opgedaan toen hij in gezelschap van zijn vader Frankrijk en Duitsland had bezocht, zodat hij redelijk voorbereid was om in zijn eentje op stap te gaan. Onderweg stuurde hij brieven naar huis met verslagen van zijn wederwaardigheden, brieven die nu in de Bibliotheek worden bewaard in een collectie waar ook de antwoorden van vader Camper deel van uitmaken. Voor de moderne lezer — als die tenminste het Frans beheerst — vormen ze een rijke bron van informatie. We zijn bezig om ze in te voeren in Digital Collections, met de door Aldert Polman gemaakte transcripties.

camper-brief-datering.jpg

De beschrijving van Giglio staat in een brief gedateerd op 8 mei 1788 “aan boord van de feloek St Antonio de Padova tussen St Stefano en het eiland Elba”:

camper-brief-giglio1.jpg

“Ik begaf me vervolgens naar Orbetello waar ik was gerecommandeerd aan een zekere Ferrini, een man die me belangrijke diensten heeft bewezen en een goede gids voor me regelde voor het eiland Giglio waar ik zondagavond aankwam. Dit eiland is een grote granieten rots met een omtrek van zo’n 38 mijl, op een verhoging van meer dan 2000 voet, grof geschat op het oog. Bovenop ligt een stadje dat versterkt is met muren en een fort en wordt bewaakt door 8 kanonnen. Ik logeerde bij een priester aan wie ik de reden van mijn komst uitlegde en we vonden al snel enige boeren die wat schorl [zwarte toermalijn] hadden dat ik wilde hebben. Voor het bedrag dat ik hen

camper-brief-giglio2.jpg

betaalde gingen ze de volgende dag bijna allemaal zulke stenen zoeken en toen ik ’s avonds terugkwam van mijn wandeling was ik weldra omringd door mensen beladen met stenen. Ik maakte een keuze waarmee ik een kist kon vullen. Ik bleef er nog een halve dag op dinsdag waarna we terugkeerden naar de haven van St Stefano die ligt aan  het meer en de lagune van Orbetello.”

Porto Santo Stefano ligt aan de noordkant van het schiereiland Monte Argentario, Toscane (aan de zuidkant bevindt zich Porto Ercole, bekend bij de Oranjes), Orbetello ligt tussen Monte Argentario en het vasteland.

Tekening van Dorothea Kreps (1734-1772)

Omdat in de biografie van de kunstenares Dorothea Kreps in het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland staat vermeld dat er nauwelijks werk van haar bekend is, lijkt het de moeite waard om haar fraaie tekening in het album amicorum van Klaas Willem Kiers (zie daarover een eerder bericht, waar het hele boek door te bladeren is) hier apart af te beelden.

ub_hs_add_224_062-dorothea-kreps.jpg

Dorothea Kreps was de dochter van bollenkweker Jan Kreps, die eerst in Heemstede en vervolgens in Haarlem werkte, en echtgenote van de  hortulanus van de Amsterdamse Hortus Medicus, Johannes Storm. Waar haar belangstelling voor bloemen en planten vandaan kwam is daarmee wel duidelijk. Ze had zelfs een atelier in de Hortus, en een van haar tekeningen is opgenomen in de Moninckx Atlas, de grote verzameling afbeeldingen van planten in de Hortus.

Bijzondere collecties gaan digitaal

rug_header_engldefinitef_111111fuzz.jpg

De eerste stukken uit onze bijzondere collecties zijn nu ook digitaal te bekijken. Het gaat om de verzameling papyrusfragmenten, een deel van de brieven van Petrus Camper, muziekfragmenten die als schutbladen in een incunabel zijn gebruikt, en een van de handschriften van Frans van Schooten. Dit is nog maar een eerste begin, dus houdt de speciale website Digital collections University of Groningen in de gaten.

De Christmann-collectie, aanvulling

De lijst van oosterse boeken die van rector Borgesius werden gekocht beslaat twee bladzijden in de Syllabus, de handgeschreven catalogus van de bibliotheek. Hier gereproduceerd zijn de pagina’s uit de kalligrafische versie:

christmann-in-syllabus-1.jpg

christmann-in-syllabus-2.jpg

DE CHRISTMANN-COLLECTIE

In de eerste vijf jaar van haar bestaan kreeg de Universiteit van Groningen zes handschriften aangeboden, waarvan een geschreven in het Middelnederlands (hs 350) en de andere vijf in het Latijn (hss 2, 8, 19, 73 en 160). In diezelfde periode werd ook een aantal manuscripten aangekocht. On 2 mei 1620, zo meldt de Librorum Academicorum Syllabus, de oudste — handgeschreven — catalogus van de UB (de digitale presentatie beslaat alleen nog het deel tot aan februari 1619) bood Joachim Borgesius, de pas benoemde rector van de Latijnse School in Stad, een verzameling manuscripten aan die eerder in bezit waren geweest van de Heidelbergse hoogleraar Jakob Christmann. De Senaat besloot op het aanbod in te gaan, betaalde de gevraagde 125 florijnen en verwierf zo dertien handschriften, twee rollen, een gevouwen blad en twee gedrukte leerboeken Arabisch. Op een na zijn alle boeken in het Arabisch of Turks geschreven.

christmann-collectie-overzicht-1.jpg(foto: Dirk Fennema, Haren)

In de vroegmoderne tijd was kennis van oosterse talen, vooral van het Arabisch, van groot praktisch nut voor kooplieden en diplomaten die in de Levant en Noord-Afrika werkten, terwijl het voor theologen van wetenschappelijk belang was om via het Hebreeuws en verwante talen de Bijbel in de oorspronkelijke versies te kunnen lezen en daardoor beter te begrijpen. Bovendien waren veel klassieke teksten over geneeskunde, wiskunde, astronomie en andere wetenschappen overgeleverd via Arabische vertalingen, die op hun beurt weer in het Latijn vertaald moesten worden voor Westeuropese geleerden. Gedrukte hulpmiddelen om Arabisch te leren en te onderwijzen waren er niet veel, en handgeschreven alternatieven waren eveneens moeilijk te krijgen. De Groningse hoogleraren zullen daarom de kans om de Christmann-verzameling te kopen hebben aangegrepen om de basis te leggen voor een Oosterse bibliotheek voor onderwijs en onderzoek, vooral ook omdat er verschillende leerboeken bij zaten, zoals grammatica’s en woordenlijsten.

De taak om de Christmann-boeken te taxeren viel te beurt aan twee hoogleraren met een behoorlijke kennis van oosterse talen: Nicolaus Mulerius (1564-1630), die geneeskunde en wiskunde doceerde en bovendien bibliothecaris van de academie was, en de theoloog  Franciscus Gomarus (1563-1641).

Hoe deze transactie precies tot stand gekomen is, is niet duidelijk. Heeft Borgesius de boeken op eigen risico gekocht met de bedoeling ze met winst te verkopen? Had hij meteen de Groningse universiteit als koper op het oog? Of waren de boeken bij de rector gedeponeerd door een onbekende verkoper, mogelijk een vertegenwoordiger van Christmanns erfgenamen, in een poging ze aan de academie over te doen? De bibliotheekcatalogus noch de notulen van de Senaatsvergaderingen geven op deze vragen een antwoord.

Biografische informatie over Joachim Borgesius (1585-na 1663) is er niet veel. Hij was enige tijd rector van de Latijnse School in Appingedam, werd vervolgens als dominee beroepen naar het dorp Westerwijtwerd, maar drie jaar later, in 1620, keerde hij terug naar het onderwijs als rector van de Latijnse School te Groningen. In die functie zal hij in contact gestaan hebben met de universiteit en haar hoogleraren, al was het alleen maar omdat de school gehuisvest was in hetzelfde complex — het voormalige Franciscaner of Broerklooster — als de kerk, bibliotheek en snijzaal van de academie.

Over Jakob Christmann (1554-1613) weten we iets meer. Hij was een bekende oriëntalist en astronoom die in Heidelberg had gestudeerd, onder meer bij Franciscus Junius (1545-1602), die later hoogleraar werd in Leiden. Christmann bestudeerde de Arabische handschriften in de Bibliotheca Palatina, die een centrum van oosterse studies was geworden na de verwerving in 1551 van de handschriften van de Franse geleerde Guillaume Postel (1510-1581). In 1580 moest Christmann, als Calvinist, Heidelberg verlaten, omdat toen alleen Lutheranen er mochten doceren. Vier jaar later was er een nieuwe Keurvorst en werd het Calvinisme weer staatsgodsdienst, zodat de hoogleraren terug konden komen vanuit hun ballingsoord Neustadt. Christmann kreeg het professoraat voor het Hebreeuws. Vanaf 1591 doceerde hij ook Aristotelische logica, en in 1608 benoemde Keurvorst Friedrich IV hem tot buitengewoon hoogleraar voor het Arabisch, waarbij inbegrepen ‘die translation und Emendation der Arabischen bucher, welch auff unser Bibliothec alhie vorhanden seindt, so viel er darzu zeit und gelegenheit haben wird’. Christmann publiceerde onder meer een inleiding in het Arabische schrift en de grammatica, Alphabetum Arabicum cum isagoge scribendi legendique Arabicae (Neustadt 1582; uklu αf 1/1).

Over de wederwaardigheden van Christmanns privébibliotheek is niet veel meer bekend dan dat zeven jaar na zijn dood achttien boeken opduiken in Groningen: acht daarvan zijn door hemzelf in het Arabisch en/of Turks geschreven. Het enige handschrift in het Latijn is een veertiende-eeuws boek met verschillende astronomische tabellen (HS 102). Een inscriptie in een religieuze verhandeling in het Turks (HS 493) leert ons dat dit boek door een zekere Isaacus Badouacus is geschonken aan zijn vriend Christmann, terwijl een ander deel, met verschillende incomplete teksten in het Turks (HS 465) geschreven moet zijn in Noord-Afrika of Spanje.

Verschillende Groningse hoogleraren hadden in Neustadt en Heidelberg gestudeerd, zodat het niet on waarschijnlijk is dat minstens een van hen Christmann persoonlijk heeft gekend. Gomarus verbleef tussen 1580 en 1582 in Neustadt, terwijl Herman Ravensperger (1586-1625) rond 1600 een deel van zijn theologische opleiding in Heidelberg volgde. Cornelis Pijnacker (1570-1645), die theologie had gestudeerd voordat hij in 1594 omzwaaide naar rechten, verbleef tien jaar daarvoor in Heidelberg. Pijnacker’s kennis van oosterse talen en zijn goede familiebetrekkingen met Amsterdamse kooplui droegen bij aan zijn verkiezing tot gezant op missies van de Staten-Generaal in 1622 en 1626 om met de Beys van Algiers en Tunis te onderhandelen over de teruggave van handelsschepen en de vrijlating van gevangenen buitgemaakt door Barbarijse zeerovers. Na behouden thuiskomst van deze avontuurlijke reizen trok Pijnacker zich terug uit het academische leven.

Of vele studenten met behulp van boeken uit de Christmann-collectie Arabisch hebben geleerd? We weten het niet.

In Aan de ketting. Boek en bibliotheek in Groningen tot 1669 (Groningen 1996) staat een beschrijving van de Arabische handschriften van de hand van Geert Jan van Gelder. De Turkse handschriften zijn beschreven door Jan Schmidt voor zijn Catalogue of Turkish manuscripts, maar het betreffende deel is voorzover ik weet nog niet verschenen. De collectievorming van handschriften in de eerste anderhalve eeuw van de UB is het onderwerp van van mijn bijdrage  ‘To endow and embellish the library. Manuscript acquisitions in Groningen, 1614-1758′ aan Manuscripten en miniaturen. Studies aangeboden aan Anne S. Korteweg bij haar afscheid van de Koninklijke Bibliotheek (Zutphen 2007).

Oude(rwetse?) bibliotheekregels

Bij de balie van de zaal Bijzondere Collecties op de derde verdieping van de UB hangt een achttiende-eeuws bord met keurig geschilderde bibliotheekregels. Het is gedateerd 1775, maar ze staan ook al vermeld in de catalogus van bibliothecaris/hoogleraar geschiedenis Leonard Offerhaus, die in 1758 is gedrukt. Een ander exemplaar van zo’n bord wordt in het depot van het Universiteitsmuseum bewaard. Ook al zijn de regels in het Latijn gesteld, ze zijn nog  niet  allemaal uit de tijd.

bord-bibliotheekregels-1775.jpg

een vertaling:

Regels voor studenten en anderen die de bibliotheek, wanneer ze geopend is, willen binnengaan, waarop ze een eed moeten afleggen.

I. Wie het recht wil krijgen om de bibliotheek binnen te gaan, moet zich bij de bibliotheekbediende vervoegen met het formulier dat hij  van de bibliothecaris heeft verkregen na betaling van twee denariën ofwel schellingen, en op vertoon daarvan mag hij de bibliotheek binnengaan wanneer ze opengesteld is; voor dominees en doctores die hier gepromoveerd zijn is deze gunst gratis.

II. Wie de bibliotheek betreedt om er te studeren  op de tijden waarop ze voor het publiek geopend is, mag bij het lezen of praten zijn stem niet zodanig verheffen dat de studies van andere aanwezigen daardoor gehinderd worden en hun  aandacht wordt afgeleid.

II. Wil men een boek aanvragen om te raadplegen dan vraagt men het aan met een eigenhandig ondertekend formulier waarop het vermeld is volgens de catalogus. Dat geeft men aan de bibliotheekbediende en wordt weer terugontvangen na inlevering van het boek.

IV. Boeken die men in gebruik heeft mag  men niet bekladden met inkt, verf of potlood, of er iets in schrijven, of ze door bladen om te vouwen of op andere manieren beschadigen, laat staan ze verscheuren, wat duidelijk een zware overtreding is waarvoor alleen een zeer hoge boete genoegdoening kan zijn.

V. Men mag in de bibliotheek niet rondlopen of met iemand kletsen terwijl anderen aan het lezen of schrijven zijn.

VI. Als het tijd is en een teken daartoe gegeven, gaan allen zonder lawaai te maken weg, nadat men de gebruikte boeken aan de bibliotheekbediende heeft gegeven en, als ze op hun plaats zijn teruggezet, de formulieren daarvoor  heeft terugontvangen.

Herzien. Groningen, in het jaar MDCCLXXV.

Middeleeuwse muziek in een incunabel

Onlangs kreeg ik het verzoek om foto’s en gegevens te leveren voor Digital Image Archive of Medieval Music, ofwel DIAMM (www.diamm.ac.uk), een online verzameling van middeleeuwse en vroegmoderne bronnen voor muziek. Het ging om onze incunabel 70, maar dan niet om de teksten die daar in staan, wel om stukken ‘oud papier’ die in de band zijn verwerkt.

Het boek zelf is een zogenaamd ‘convoluut’: het bestaat uit meer dan één ‘boek’, bijelkaar ingebonden. In dit deel is een moraaltheologisch werk van de vijftiende-eeuwse Franciscaan Angelus de Clavasio, Summa Angelica de casibus conscientiae, gedrukt in 1491 door Martin Flach te Straatsburg, gehecht aan een glossarium van afkortingen van juridische termen, Modus legendi abbreviaturas, verschenen bij Joannes Koelhoff de Jongere in Keulen, 1493.

In de eerste gedrukte catalogus van de bibliotheek, vervaardigd door Gerard Lammers en gepubliceerd in 1669, staat Summa Angelica wel en Modus legendi niet genoemd. Het boekdeel is in de jaren 1620 in de Universiteitsbibliotheek terechtgekomen als onderdeel van de boekverzameling bijeengebracht in de Martinikerk, die toen door de provincie aan de universiteit is overgedragen. Een aanwijzing hiervoor is te vinden op een van de schutbladen, die om verschillende redenen veel interessanter zijn dan de teksten zelf.

fols-i2v-verso-front-flyleaf-and-fol-2r-2.jpgDe vier bladen die zijn gebruikt als dek- en schutbladen zijn fragmenten afkomstig uit een laat veertiende-eeuws handschrift op perkament geschreven. Drie bladen bevatten stukken uit muziektheoretische teksten in het Latijn, met voorbeelden in muzieknotatie. Op het vierde blad staat de intabulatie voor de begeleiding van twee Franse liederen, getiteld ‘Asperance’ en ‘Empris domoyrs’.

Voor muziekhistorici is dit belangrijk materiaal, en er zijn al diverse publicaties aan gewijd, onder meer van de hand van Maria van Daalen en Frank Harrison, ‘Two keybaord intabulatons of the late fourteenth century on a manuscript leaf now the the Netherlands’, in Tijdschrift van de Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis 34 (1984) 97-108 (opgenomen in JSTOR), en Michael Scott Cuthbert, ‘Esperance and the French song in  foreign sources’, in Studi Musicali 36 (2007) 3-21.

Beschrijving en foto’s zullen binnenkort worden opgenomen in DIAMM.

Eveneens belangwekkend is een aantekening op het dekblad achterin, waar de eerste eigenaar van het boek genoteerd heeft hoeveel hij had betaald voor de aankoop en het binden van de twee boeken:

fol-ii1r-back-pastedown-detail-aantekening-over-aankoop-en-binden.jpg

‘Item monete 1491 xiiij stüferos summa angelica modus legendi duos stüferos planatura totius iiij- [het haaltje door de laatste lange i geeft aan dat het om een halve gaat] stüferos et pro compactione x stüferos hec computata faciunt aureum renensem et iij- stüferos hec acta 1497.’

Ofwel: Summa Angelica is in 1491 - het jaar waarin het gedrukt was - gekocht voor veertien stuivers, terwijl Modus legendi er twee kostte. Het bijwerken van de boeken kostte drie en een halve stuiver, het binden nog eens tien. De totale kosten bedroegen een gouden Rijnse gulden plus nog drie en een halve stuiver. (Een simpel rekensommetje leert dat 26 stuivers een gouden Rijnse gulden maakten.)

De stijl van de band kennen we van in Groningen gebonden boeken, en bovendien komen vergelijkbare aantekeningen, in hetzelfde handschrift, voor in nog twee incunabelen, die beide eigendom waren van de ‘clericus’ Hilbrandus Wissinck. We mogen dus wel aannemen  dat hij degene was die de beide boeken die nu inc. 70 vormen heeft gekocht en bijelkaar heeft laten binden. Via zijn erfgenamen kwamen de drie boeken in de bibliotheek van de Martinikerk terecht, en vandaar zijn ze in de jaren 1620 naar de Universiteitsbibliotheek overgebracht.

De brieven die Johannes Bosscha in de jaren 1788-1793 aan zijn vriend Gerard Tjaard Suringar in Leeuwarden schreef, behoren tot mijn favoriete collecties in de bibliotheek. Bosscha verbleef in die tijd in Parijs, als huisonderwijzer bij de Nederlandse familie Abbema, en was dus een ooggetuige van de Franse Revolutie waarover hij uitvoerig verslag doet. In 2002 heb ik deze interessante en vlot geschreven brieven gepubliceerd in ‘Voor revolutiën gebooren’ (Leeuwarden 2001) (uokw 095S 023; TC 2456 (21)). De teksten (in concept, en zonder de inleiding) zijn ook in de repositories van de UB te vinden.

abbema-portret.JPGDat plaatsing in de repositories kan leiden tot totaal onverwachte lezers bleek vorig jaar, toen ik een brief ontving van iemand die vroeg naar een portret van Bosscha’s werkgever, Balthasar Elias Abbema, die een directe voorvader van hem zou zijn. Op zich is dat niet zo vreemd, maar deze briefschrijver woont in/op Sardinië, dus daar wilde ik wel meer van weten, ook omdat ik indertijd niet veel had kunnen vinden over hoe het verder was gegaan met de vier kinderen Abbema - twee zoons en twee dochters. De familie was in 1793 Parijs ontvlucht en naar Altona bij Hamburg vertrokken, en Abbema kon pas in 1800 naar Amsterdam terugkeren.

Volgens Giancarlo Pinna Parpaglia zit het zo: de oudste van de beide dochters, Constantia, is waarschijnlijk jong overleden en over de jongste zoon, Balthasar Elias jr., die in 1800 bij zijn vader in de zaak kwam, heeft hij geen verdere gegevens omdat de familie toen weer in Nederland was. De oudste zoon, Jan Frederik, werd sous-prefect van Amsterdam, uit welke functie hij in 1812 is ontslagen. In het jaar daarvoor was hij al teruggegaan naar Parijs, want in december 1811 trouwde hij daar met Louise de Narbonne, een kleindochter van Lodewijk XV. Hun zoon Emile had een dochter Louise (1853-1927) - zij spelde haar achternaam als Abbéma - een in haar tijd gevierd kunstenares en de minnares van actrice Sarah Bernardt, die ze in 1876 portretteerde. Zij overleed kinderloos.

Van de kinderen uit het tweede huwelijk van de jongste dochter Abbema, Maria Catharina Theodora, met Jean Joseph Escard, kwam Maximilien als kolonel in Sardinië terecht, waar hij zich vestigde, en een van de achterachterkleinkinderen van deze Massimiliano (via dochter Costanza, kleinzoon Rodolfo Stevani en achterkleindochter Vania) is meneer Pinna Parpaglia, de briefschrijver.

Nu maar hopen dat er zich, van waar dan ook, iemand meldt met nieuws over het nageslacht van Balthasar Elias jr., de jongste zoon.

oudere berichten »