Papyrus inv. nr. 66 = Hendriks, Parsons, Worp nr. 1
18 January 2010
Encomium Alexandreae
De bespreking van dit fragment, met transcriptie en uitgave (in het Engels), door I.H.M. Hendriks, P.J. Parsons en K.A. Worp staat hier.
Uit de Bijzondere Collecties van de UB Groningen
18 January 2010
Encomium Alexandreae
De bespreking van dit fragment, met transcriptie en uitgave (in het Engels), door I.H.M. Hendriks, P.J. Parsons en K.A. Worp staat hier.
18 January 2010
Kwitantie voor belasting op korenzaad.
Voor de bespreking van dit fragment, met transcriptie en uitgave (in het Duits), door A.G. Roos, klik deze link aan: inv. nr. 60 / Roos nr. 8.
18 January 2010
Brief van Philippos
Voor een bespreking, met transcriptie en vertaling (in het Duits) door A.G. Roos, klik deze link aan: inv. nr. 33 / Roos nr. 16
18 January 2010
Historische tekst?
Voor een bespreking, transcriptie en vertaling (in het Duits) door A.G. Roos, klik deze link aan: inv. nr. 10 / Roos nr. 21
18 January 2010
Twee brieven van Turbo
Voor de bespreking van dit fragment, met transcriptie en uitgave (in het Duits), door A.G. Roos, klik deze link aan: inv. nr. 18 / Roos nr. 15
18 January 2010
Brief van Isaios
Voor de bespreking van dit fragment, met transcriptie en uitgave (in het Duits), door A.G. Roos, klik deze link aan: inv. nr. 17 / Roos nr. 17
4 December 2009
In onze collectie middeleeuwse handschriften komen een paar spectaculaire gevallen van inktvraat voor. Een heel treurig geval is HS 18, met de Pantheologia, een theologische encyclopedie van Raynerius de Pisis (overleden in 1348).
In de banderolle boven de initiaal op fol. 9r staat te lezen dat ‘broeder Johannes Claes begon met dit eerste deel in het jaar des heren 1470′.
De inkt die Johannes gebruikte was van een zodanig slechte kwaliteit, dat die zich in de loop der tijden door het papier heen is gaan vreten, zodat er nu een gapend gat in het boekblok is gevallen. Het is gevaarlijk om bladen om te slaan, want dan vallen er allemaal snippers papier de diepte in. Deze foto werd door restaurator Cor Knops gemaakt, voor zijn verzameling rampenfoto’s … Intussen zijn er mogelijkheden ontwikkeld om de gevolgen van inktvraat tegen te gaan, maar de behandeling is heel kostbaar.
Een ander geval is HS 216. Dit boek bevat een uitleg van de Regel van St. Augustinus (354-430) en een commentaar van Hugo van St. Victor (overleden in 1141) op die Regel. Het is geschreven in en voor het Sint Agnesklooster van Reguliere kanunnikessen van St. Augustinus in het Limburgse Maaseik. En net als HS 18 is het boek gedateerd: aan het eind staat de mededeling ‘Gheeyndt int Jaer ons heren MCCCCxxxv des donresdaghes voer Sancte Gregorius dach. Deo gracias. MCCCCXXX.’ De tweede keer is dus een romeins vijfje overgeslagen. Er waren verschillende ‘Gregoriusdagen’ voor diverse heiligen van die naam. Hier gaat het hoogstwaarschijnlijk om Gregorius de Grote, paus van 590 tot aan zijn dood in 604.
De bijnaam ‘de Grote’ heeft hij onder meer te danken aan het feit dat tijdens zijn pontificaat de bekering van Engeland goed op gang kwam, doordat hij vanuit Rome missionarissen daar naartoe stuurde. De leider van die groep, Augustinus, werd de eerste aartsbisschop van Canterbury.
De missie was zeer succesvol, en vanuit Engeland zijn in de volgende eeuwen de Nederlanden (door onder meer Willibrord en Bonifatius) en het Duitse gebied gechristianiseerd. De kerkelijke feestdag - bij heiligen is dat hun sterfdag - van Gregorius de Grote is 12 maart.
HS 216 is op papier geschreven. Ook hier deugde de samenstelling van de ijzergallusinkt niet, zodat er grote gaten ontstonden.
In een poging om letters en papier bij elkaar te houden, zijn de bladen ooit bestreken met een laag kunststof, waarschijnlijk een polyvinyl-acetaat. Dat was geen succes, want daardoor gingen de bladen aan elkaar kleven. Om dat tegen te gaan werden er dunne cellofaanvelletjes tussen de bladen gelegd, maar ook die plakten aan het papier vast, zodat het boek helemaal niet meer openging. In 1994 is daarom besloten tot een restauratie, die is uitgevoerd door Knops Boekrestauratie in Munstergeleen.
Gelukkig was het toen goed weer, want voor het verwijderen van het polyvinyl-acetaat en de lijm moesten middelen worden gebruikt die het noodzakelijk maakten om dat werk in de buitenlucht te doen, en zelfs dan was een gasmasker nodig!
Na die behandeling waren de bladen weliswaar weer schoon, maar nog steeds zeer kwetsbaar door alle gaten. Die moesten daarom opgevuld worden. Er is voor gekozen om ze aan te vezelen. Dat gebeurt door papierpulp door de gaten te zuigen, waarbij de vezels van de pulp zich hechten aan die van het papier.
Per keer werden er vier bladen behandeld. Ook de randen van de bladen werden op die manier weer min of meer recht gemaakt. Een klein nadeel is dat aan de randen van de gevulde gaten een stukje tekst onder de pulp zit, maar die was vaak toch al moeilijk te lezen door de inkt die letters doet uitlopen, zodat het nadeel niet opweegt tegen het voordeel.
De bladen zijn vervolgens weer tot katernen genaaid en het boekblok kon teruggezet worden in de bestaande boekband.
Het resultaat van al deze inspanningen is dat het handschrift weer hanteerbaar is en zonder problemen opengeslagen en gelezen kan worden. Het is nu bovendien bijna de helft dunner geworden. In de vrijgekomen ruimte in de opbergdoos zitten de bij de restauratie vrijgekomen touwtjes en fragmentjes.
1 December 2009
Onlangs verwierven we een nieuwskaart van het beleg van Groningen. De afbeelding toont de plattegrond van de stad met in de voorgrond de aanvallende troepen van de bisschop van Münster. Zij zijn voornamelijk aan de westkant van de stad opgesteld, vanwaar ze bommen en kanonskogels afvuren, maar in werkelijkheid kwam de aanval vanuit het zuiden.
De begeleidende tekst in het Duits bevat een uitgebreid verslag van het beleg.
De prent werd in 1672 te koop aangeboden door de kopergraveur Abraham Aubry in Frankfurt. De gravure meet 19 x 25,5 cm, het gehele blad 43 x 30 cm.
1 December 2009
Een van de beroemde leerlingen van Regnerus Praedinius (1510-1559), de rector van de Latijnse School in Groningen in het midden van de zestiende eeuw, was Folckert Koyter, zoon van een bierbrouwer in Groningen. Als Volcher Coiter verwierf hij naam als baanbrekend anatoom.
Nadat hij zijn opleiding aan de St. Maartensschool had voltooid, wilde de in 1534 geboren Coiter graag verder studeren. Daarvoor gunden Burgemeester en Raad van Groningen hem gedurende vijf jaar een toelage van twintig Emdener guldens. Coiter ging eerst naar de universiteit van Leuven, vervolgens naar Tübingen, waar de botanicus Leonhart Fuchs toen doceerde, daarna naar Guillaume Rondelet in Montpellier, en tenslotte naar Italië, waar de artsen-anatomen Gabriele Falloppio in Padua, en Bartolomeo Eustachi en de natuuronderzoeker Ulisse Aldrovandi, zijn promotor te Bologna, tot zijn leermeesters behoorden.
Coiter was een groot bewonderaar van het werk van Andreas Vesalius, wiens vermaarde De Humani Corporis Fabrica in 1543 was verschenen. Coiter doceerde in de jaren 1560 in Bologna en Perugia. Rond 1566 vestigde hij zich als stadsgeneesheer in Neurenberg. Toen hij in 1576 de paltsgraaf Johann Casimir van Palts-Simmern (1543-1592) als legerarts vergezelde op een veldtocht naar Frankrijk om daar de Hugenoten bij te staan, overleed hij, waarschijnlijk aan tyfus, in Brienne-le-Château, in de buurt van Reims, waarschijnlijk aan tyfus.
Coiter wordt beschouwd als een van de belangrijkste anatomische en embryologische onderzoekers van de zestiende eeuw. Hij hechtte groot belang aan het uitvoeren van secties, niet alleen om zijn kennis van de anatomie te vergroten, maar ook om verborgen ziekten op te sporen. Hij publiceerde over de groei en ontwikkeling van de skeletten van mensen, zoogdieren en vogels, de gifklier van de adder en de ontwikkeling van het kippenembryo: zo deed hij, als eerste sinds Aristoteles, de proef om een kip twintig eieren te laten uitbroeden en er elke dag een te openen.
Om studenten naar zijn colleges te trekken, liet Coiter twee werken drukken. Het ene is Tabulae externarum partium humani corporis (Afbeeldingen over de uitwendige delen van het menselijk lichaam, 1564) en De ossibus et cartilaginibus humani corporis tabulae (Afbeeldingen over de beenderen en kraakbeenderen van het menselijk lichaam, 1566).
Materiaal uit beide boeken is verwerkt in Coiters magnum opus Externarum et internarum principalium humani corporis partium tabulae (Afbeeldingen van de belangrijkste uit- en inwendige delen van het menselijk lichaam), dat in 1572 in Neurenberg is verschenen. De prachtige tekeningen zijn van de hand van Coiter zelf, zoals blijkt uit de ondertekening ‘V.C.D.’ (Volcher Coiter delineavit).
Het exemplaar van dit werk in bezit van de UB, dat is samengebonden met een in 1575 verschenen bewerking door Coiter van de colleges van zijn leermeester Fallopius, eveneens voorzien van door hem gemaakte tekeningen, werd in 1619 geschonken door Joachim Alting, burgemeester van de stad Groningen en nauw betrokken bij de voorbereidingen tot de stichting van de universiteit. De schenking staat vermeld in de Librorum Academicarum Syllabus, de oudste handgeschreven catalogus van de UB.
Op de titelpagina heeft de Coiter een opdracht geschreven aan Johan Wier (1515-1588), afkomstig uit Grave en lijfarts van de hertog van Gulik-Berg-Kleef. Wier geldt als een van de grondleggers van de moderne psychiatrie en is vooral bekend geworden als fel bestrijder van bijgeloof, magie, heksenwaan en heksenprocessen.
Hendricus Eyssonius (1620-1690), een zeventiende-eeuwse hoogleraar in de anatomie te Groningen, berichtte over Coiters leven in een verhandeling over het kinderskelet, Tractatus anatomicus et medicus de ossibus infantis (Groningen 1659) en voegde er een tractaatje van Coiter over hetzelfde onderwerp aan toe.
12 November 2009
In 1761 werd de Societas Pro Excolendo Iure Patrio - in de wandeling vaak Pro Excolendo genoemd - opgericht, een vereniging die zich ten doel stelt vooral het natuurrecht en het vaderlands recht te bestuderen. De bibliotheek van de vereniging is in 1853 in bruikleen gegeven aan de UB en telt ca. 3.500 juridische en historische werken, waaronder ruim 100 handschriften voornamelijk van landrechten en stadboeken.
Een van de meest opvallende handschriften is HS PE 21, een boekje in oblong formaat - 10,3 cm hoog en 13,7 cm breed, in een bestempelde band. Van de sluitingen zijn de beide riempjes verdwenen, maar de sluithaken en de aanzetten van de riempjes zijn er nog wel.
Het boekje bevat verschillende juridische teksten. Een ‘almanak’ op p. 4 bestrijkt de jaren 1536-1555, reden waarom een datering in 1535/1536 waarschijnlijk lijkt.
Er staan twee namen van vroege eigenaars geschreven op pag. 1: ‘Curdt [of Everdt] van Heeck hort dyth boeck’ en ‘Sum Nicolai Schaffer’. Zowel de families Van Heeck als Schaffer woonden in Groningen. Claas Schaffer was burgemeester van de stad tussen 1518 en 1525 en in 1538.
Opvallend in dit handschrift zijn de gekleurde pentekeningen die als illustraties dienen, zoals de afbeelding aan het begin van een tekst over voogdij die de eedsaflegging van een voogd weergeeft.
Aan het begin van boek 1 van het Landrecht van Fivelgo, Hunsingo en Groningen van 1448 is te zienhoe iemand geld overhandigt aan een aan een tafel gezeten persoon. Het onderschrift luidt: ‘Barmherticheit und gelt daer bij dat spreckt miserere nostri.’ Dit plaatje staat ook op een van de kaarten die de Vereniging van Vrienden van de UB heeft uitgegeven, en die bij de portiers van de UB te koop zijn.
Een inhoudsopgave van het landrecht, dat voor een groot deel handelt over boetes die verschuldigd zijn voor een reeks gespecificeerde toegebrachte verwondingen, gaat vergezeld van een tekening van een tweegevecht.
Echte moord en doodslag is afgebeeld aan het begin van boek 2 van het Landrecht van Fivelgo, Hunsingo en Groningen. Deze strijd lijkt voor sommige betrokkenen echt niet goed af te lopen.
Toen deze foto’s gemaakt werden, lagen sommige katernen los in de band. Intussen is het boekje gerestaureerd en weer veilig door te bladeren.