Naar aanleiding van een verzoek vanuit Hongarije volgen hier enkele afbeeldingen van HS 159, met de Elegiae van Propertius, een Latijnse dichter die leefde van ca. 50-15 v. Chr. Het boekje is in de tweede helft van de vijftiende eeuw in Italië geschreven, op perkament en in een humanistisch schrift. Het verkeert in niet al te beste staat: het boekblok ligt gedeeltelijk los.
De eerste bladzijde is gedecoreerd met een gouden initiaal en penwerk, en de titel is in verschillend gekleurde kapitalen geschreven, maar het effect hiervan wordt door een ongelukkig geplaatst stempel deels te niet gedaan.

Het handschrift is opgenomen in de in 1669 verschenen bibliotheekcatalogus. Namen van twee eerdere eigenaars staan genoemd op het eerste blad: in de rechterbovenhoek ‘Antuerpiæ A. Schotti’ en in de ondermarge ‘Ex libris Sambuci pann’. Dat ‘pann’ is een afkorting van ‘pannonii’, Hongaars, want de medicus, filoloog en historicus Johannes Sambucus (1531-1584) werd geboren als János Zsámboky in Nagyszombat, dat tegenwoordig Trnava heet en in Slowakije ligt. Andreas Schottus (1552-1629) was een uit Vlaanderen afkomstige Jezuiet die als filoloog gewerkt heeft in Zaragoza, Toledo, Rome en Antwerpen.
Uit een brief die de classicus Joan van Broekhuizen (Janus Broukhusius, 1649-1707) in 1687 richtte aan Johannes Mensinga (1635-1698), hoogleraar geschiedenis in welsprekendheid te Groningen, weten we nog wat meer over de herkomstgeschiedenis van HS 159. Broukhusius verzorgde een uitgave van de gedichten van Propertius, in 1702 te Amsterdam verschenen.

Het Groningse exemplaar van dit boek is ondergebracht in de collectie handschriften omdat op het schutblad voorin, tegenover de gegraveerde titelpagina, die brief van Broukhusius aan Mensinga is gekopieerd:

Op de achtergrond van de voorstelling op de titelpagina (de naam van de maker, Joseph Mulder, staat in de rechterbenedenhoek: ‘J. Mulder del. et scul.’) is een historisch niet geheel verantwoord stadsgezicht van Rome afgebeeld:

Broukhusius bedankt Mensinga omdat die het Propertius-handschrift naar hem in Amsterdam had gestuurd zodat hij het uitvoerig kon bestuderen. Verder vertelt hij dat het boekje, een zeldzaam maar goed exemplaar (’quanto rarior est tam bonae mercis copia’), door Sambucus was geschonken aan Johannes Posthius (1537-1597), een Duitse dichter en arts. Vervolgens kwam het terecht bij een in de ogen van Broukhusius niet veel betekenende geleerde: ‘Eo postea usus est Janus Mellerus Palmerius, sed satis infeliciter, non dicam inepte.’ Gelukkig kwam het daarna in handen van de Vlaming Franciscus Modius (1556-1597), wiens lijst van variante lezingen Broukhusius had gekregen van de Utrechtse hoogleraar Johann Georg Graevius (1632-1703).
Een samenvatting van deze brief is uitgegeven door J.A. Worp in zijn selectie van Broukhusius’ correspondentie verschenen in het Programma van de Jaarlijksche Promotie en Prijsuitdeeling onder de leerlingen van het Gymnasium te Groningen, te houden op zaterdag den 13 juli 1889, des namiddags te twee uur, in de Bovenzaal van het Concerthuis. Het programma, gevolgd door de ‘Staat van het Gymnasium’, het ‘Ontwerp-Programma van het onderwijs’ en de catalogus van de ‘Bibliotheek van het Gymnasium’, in totaal 26 pagina’s, vormen de aanloop tot Worps publicatie van 180 pp.
In het handschrift is op het schutblad een in een pietepeuterig schrift gesteld verhaal te lezen over het belang dat filologen in de loop der tijden aan dit handschrift hebben gehecht.

De auteur hiervan is me nog niet bekend.
Een paar foto’s van andere openingen en van de voor- en achterkant van de band zijn toegevoegd aan de beschrijving van het handschrift in ‘Medieval Manuscripts in Dutch Collections’.
Tags: , Andreas Schottus, Franciscus Modius, Italië, J. Mulder, J.A. Worp, Janus Broukhusius, Janus mellerus Palmerius, Johann Georg Graevius, Johannes Mensinga, Johannes Posthius, Johannes Sambucus, Praediniusgymnasium, Propertius, Rome